arrow_drop_up arrow_drop_down

PENSIOENBREUK

De breuk in de pensioenopbouw die kan ontstaan als gevolg van het uittreden uit een pensioenregeling voor pensioeningangsdatum. Deze breuk kan bestaan uit:

– een carrièrebreuk. Bijvoorbeeld: een persoon wisselt op 45-jarige leeftijd van baan en heeft in de pensioenregeling van zijn nieuwe werkgever, als gevolg van een salarisstijging, een hogere pensioengrondslag;

– pensioenverlies als gevolg van inflatie. Indien ingegane pensioenen en premievrije aanspraken op pensioen niet worden aangepast, vermindert de koopkracht hiervan. In de meeste pensioenregelingen komt een aanpassingsmechanisme voor, meestal een toeslagregeling, die pensioenverlies door inflatie moet voorkomen. In de Pensioenwet zijn bepalingen opgenomen, die er voor zorgen dat bij het verlenen van toeslagen de groepen pensioengerechtigden onderling en de slapers gelijk worden behandeld;

– lagere aanspraken door ontslag. In het verleden kwam het voor dat bij ontslag slechts de op dat moment gefinancierde aanspraken als premievrije aanspraak werden toegekend. De gefinancierde aanspraken konden lager zijn dan de aanspraken die evenredig aan het aantal deelnemersjaren waren opgebouwd. Op 1 augustus 1987 is de wetgeving op dit punt veranderd, waardoor bij ontslag na deze datum evenredige rechten moeten worden verleend. De hier bedoelde vorm van pensioenbreuk zal dus geleidelijk gaan verdwijnen.

Reactie plaatsen
We use cookies